Overname activiteiten collega
Adviesgroep Grafimedia heeft om uiteenlopende redenen haar activiteiten per 1 november j.l. beëindigd. Graag melden we dat wij (Erik Stevens, Gerit Phaff en Harjo Pinkster) de advieswerkzaamheden voor grafische bedrijven, inclusief werving en selectie, van onze collega’s hebben overgenomen.
Macht en onmacht van een groep (2)
Mijn vorige column over grafische groepen eindigde omineus met de woorden “Hoe weerbarstig bleek de werkelijkheid te zijn”. Reden voor wat vraagtekens bij trouwe lezers, want als een wat filosofisch getint stuk over de meerwaarde van deelname aan een groep voor individuele bedrijven en de meerwaarde voor een groep van het hebben van die bedrijven – in goed Nederlands de wisselwerking tussen het collectief en de aparte onderdelen - zo eindigt, komt het over als een cliffhanger en is het logisch om wat verder te filosoferen over zaken die anders gelopen zijn dan de bedoeling was bij het ontstaan van de groep.
In de eerste plaats is groepsvorming in grafisch Nederland niet hetzelfde als bij organisaties, die consumentenproducten aan de man/vrouw brengen. Bij dit laatste kan je het hebben over marktaandeel, productinnovatie, rationalisatie van het aanbod en marketing binnen grotere segmenten, ontstaan door samengaan. Het grafische bedrijf maakt immers geen eigen product, maar andermans product. Hoogstens in de wat abstracte vormen van additionele dienstverlening kan men zich onderscheiden. Heel belangrijk en essentieel voor het voortbestaan, maar denken in consumentengedrag, in tastbare artikelen met gebruikskenmerken met bijbehorende behoeftebevrediging voor de finale consument, is er niet bij. Een boek of een tijdschrift zijn artikelen die door de uitgever ‘in de markt’ zijn gezet en waar hij voor de vervaardiging de drukker nodig heeft. Die doet dus aangenomen werk. Geprojecteerd op de positie van complete groepen kan dus niet gedacht worden in productsegmentaties of marktaandelen. Sterker nog, in de ogen van de klant is het bijster oninteressant of ‘zijn’ drukker deel uitmaakt van een groep, de klant is alleen geïnteresseerd in snelle levering tegen redelijke condities en het probleemoplossend vermogen van zijn contactpersoon, of dat nou de ordermanager, de vestigingsdirecteur of diens verkoper is. “Deel van een groep? Prima, als ik er maar geen last van heb” is het credo van de klant. Een goede relatie is afhankelijk van factoren op lokaal niveau en die worden niet vanuit de groep aangedragen. Wat vanuit een groep wel kan, is voorwaardenscheppend beleid, maar daar merkt de klant niet veel van. De groep kan zorgen voor een financieringsbasis om de juiste investeringen te doen, een groep kan toezien op de kwaliteit van het management, die immers verantwoordelijk is voor een soepel draaiend bedrijf, een groep kan de informatieverschaffing onderling optimaliseren, al was het maar om te voorkomen dat in de wachtkamer van de klant vertegenwoordigers van zusterbedrijven elkaar de hersens inslaan (tot stomme verbazing van de drukwerkinkoper echt gebeurd, alleen niet zo letterlijk).
In de tweede plaats: KISS, keep it simpel stupid. Vanuit de groep kan stimulerend gewerkt worden door dienstverlening naast de grafische realisatie te ontwikkelen of door goede informatiesystemen te leveren. Veel IT-achtige ondersteuning, die de vestigingsbaas, in zijn dagelijkse gevecht om de orderstroom goed gaande te houden, niet zelf kan vergaren. Maar kijk uit voor baasjes op het hoofdkantoor. Stafdiensten hebben de neiging om nieuwe stafdiensten te creëren, al was het maar om elkaar bezig te houden. Het ergste vorm van centralisme is het op groepsniveau laten ontstaan van spreadsheetmanagement. Dan wordt via al te makkelijk opgestelde blauwdrukken een dwingend samenwerkingsmodel aan de vestigingen opgelegd, waardoor de werkvloer (inclusief bedrijfsbureau) gefrustreerd wordt door regelgeving en zelfs het allerbelangrijkste in de knel komt: de relatie met de klant. In deze fase raakt men het zelfreinigend vermogen kwijt. Einde groep en hopelijk tot ziens in betere tijden.
In de derde plaats gaat het altijd om mensen. Een vestigingsleider kan ontvankelijk zijn voor het zetje in de rug van de groepsleider, van de klop op de schouder als het lekker loopt tot een inhoudelijk dieper gaande gedachtewisseling over de dingen die beter kunnen, ook met behulp van de spiegel die hem wordt voorgehouden. Want de kwaliteit van de groepssamenhang is af te lezen aan het niveau, waarop bijgestuurd wordt en verantwoordelijkheid genomen wordt: hoe lager hoe beter.
Gerrit Phaff


